Bomen en planten
 

De walnotenboom

Toen de Romeinse legers noordwaarts trokken om GalliŽ te onderwerpen, namen ze de zaden van de Juglans regia mee, de walnoot. De bomen bleken zeer goed te groeien in de Perigord en een groot deel van de Europese walnootproductie komt vandaag de dag uit deze streek. "De vorstelijke noot van Jupiter" zoals de Romeinen hem noemden, kwam oorspronkelijk uit AziŽ en werd 100 jaar vChr. door de Romeinen meegenomen vanuit Griekenland. Behalve bron voor uitstekende spijsolie kent de walnoot vele exotische toepassingen. Zo dacht men in de Middeleeuwen dat walnoten geestesziekte konden genezen vanwege de gelijkenis met de menselijke hersenen. Walnoten zijn behalve lekker ook goed voor mensen met een moeizame stoelgang en een aftreksel van de bladeren zou dodelijk zijn voor slakken. Als u onder een notenboom gaat zitten heeft u weinig last van muggen, die hebben een hekel aan de lucht van de bladeren. In de 19e eeuw gebruikte men walnotenolie voor de vervaardiging van zeep en jonge vruchten worden gebruikt voor een pikzwart en heerlijk aperitief; eau de noix. De schillen rond de noten werden gebruikt voor zwarte kleurstof en het hout is fraai van tekening en hard, een geliefd hout voor het maken van geweerkolven en meubelen. De boom komt als een van de laatste in juni in blad.

 

Tulpenboom

Een prachtige boom is de Liriodendron Tulipifera ofwel de tulpenboom. Deze boom die stamt uit het oosten van de VS van Amerika heeft zijn naam te danken aan de grote witte tulpvormige bloemen die in juni uitkomen. Maar de eerste bloei is pas te verwachten zo'n 25 jaar .

De boom wordt vaak geplant vanwege zijn decoratieve blad dat prachtig geel en rood kleurt in de herfst. In de oostelijke staten van Amerika is het met een maximale hoogte van 35 meter de hoogste boom en de Indianen gebruikten de stammen om kano's van te maken, ze noemden het hout van de tulpenboom dan ook "kanohout". Hoveniers van Karel 1 haalden de zaden van de Tulpenboom voor het eerst naar Europa vanuit Virginia in 1656. In het iets warmere klimaat van de Dordogne gedijt deze boom goed en groeit zeer snel.

Pseudo-acacia's in bloei

 Deze boom werd genoemd naar Jean Robin die de zaden in de 17e eeuw uit Amerika meebracht en in Parijs daaruit de eerste Europese exemplaren opkweekte.

De toevoeging "pseudo acacia" komt voort uit het feit dat de bladeren een klein beetje lijken op de echte acacia. De Robinia treft in de Dordogne uitstekende groei-omstandigheden en heeft dan ook de onhebbelijkheid rijkelijk uit te zaaien en de talloze uitlopers groeien soms meer dan een meter per jaar. Het hout met donkere kern is zeer taai en erg hard en de boom heeft grote scherpe doornen. De attractie van de Robinia is de spectaculaire bloei met trossen witte bloemen die heerlijk geuren. De bloemen zijn overigens eetbaar.

 

 

 

 

Paardenkastanje

Paarden zijn gek op de bruine glimmende kastanjes die in het najaar met honderden naar beneden komen, maar ook herten lusten kastanjes. Voor de mens is deze variant veel te bitter, maar wij eten wel de tamme kastanje, die in de Dordogne veelvuldig voorkomt.

Zowel de tamme als de paardenkastanje bloeien fraai en deze boom staat in mei van top tot teen vol met prachtige witte kaarsvormige bloemen. De paardenkastanje lijkt in ons land inheems, maar is dat niet. Hij stamt uit Azie en de Balkan en het eerste Nederlandse exemplaar werd pas in 1608 geplant. De imposante boom stelt weinig eisen en groeit hard tot indrukwekkende afmetingen.


 

 

Bijzondere wilde planten

U vindt talrijke bijzondere wilde planten die in Nederland bijzondere bescherming genieten in de Dordogne gewoon in de berm of in de tuin. Hieronder een paar voorbeelden, onder andere de sleutelbloem (primula) die zeer talrijk is en overal in bermen en extensief beheerde weilanden het voorjaar aankondigt.

Kuifhyacinten (muscari comosum) komen veelvuldig voor in de maanden mei t/m juli. Deze prachtige wilde bloem is in Nederland vrijwel uitgestorven en komt zeer zeldzaam nog voor in Limburg en de duinen van Voorne.

 

 

 

 

 

 

 

 

Wilde orchideeŽn komen in de Dordogne veel voor. Ze staan soms in de berm, maar ook in weilanden en bossen. Deze twee zijn gefotografeerd in de tweede helft van mei.

En dit is een hele vroege, al begin april gefotografeerd.

 

Knautsia hebben we in Nederland vaak in de tuin, maar dit bloemetje groeit in de omgeving van de huizen gewoon in het wild, meestal in overvloedig bloeiende bloemenweiden, samen met grote margrieten en wilde euforbia.

 

Betonie vindt u niet alleen in de Alpen, maar is ook zeer talrijk in de Dordogne. Deze is gefotografeerd in juli.

Malva alcea is verwant aan de bekende stokroos en groeit overal in het wild en in weilanden. De Nederlandse naam is kaasjeskruid, maar u zult hem nog maar zelden in ons land tegenkomen.

Veldsalie is in Nederland en Belgie erg zeldzaam geworden. Op de kalkrijke grond in de Dordogne is hij zeer algemeen in velden en bermen waar hij uitbundig bloeit van mei tot augustus.

 

 

 

 

Korstmossen

Veel bezoekers aan de Dordogne denken dat de bomen een ziekte hebben of aangetast zijn door een schimmel. Door de zuivere lucht zijn de meeste bomen echter begroeid met korstmossen. Hoewel korstmossen (of lichenen) op het eerste gezicht plantachtige organismen lijken, zijn ze in werkelijkheid de innige symbiose van twee verschillende typen van organismen: een schimmel en een groenwier of een blauwalg. Aan de buitenkant zit de schimmel, die dus ook de grove vorm van het korstmos bepaalt. De algen verzorgen de fotosynthese, en produceren daarbij in plaats van de suiker die normaal gesproken wordt geproduceerd, speciale suikeralcoholen die door de schimmel kunnen worden gebruikt.

 Veel korstmossen groeien zeer traag (soms niet meer dan 0,1 mm per jaar), en groeien daarom vooral daar waar ze niet door bloemplanten kunnen worden verdrongen. Men vindt ze bijvoorbeeld vaak op kale rots (bijvoorbeeld grafstenen en muren), waar ze in tegenstelling tot echte planten op kunnen leven, en soms zelfs in door kunnen dringen. Ze vragen niet veel voedingsstoffen, en kunnen die vaak halen uit het stof in de lucht. Ook kunnen ze in geval van uitdroging lange tijd, vaak jarenlang, in een rustfase blijven, en na toevoeging van water weer tot leven komen. Daarom vormen ze een belangrijke component van het leven in de poolgebieden en het hooggebergte, waar water grote delen van de tijd alleen in bevroren (en dus onbruikbare) toestand voorkomt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het rendiermos dat een groot deel van het jaar het enige voedsel van de rendieren in Lapland vormt. Ook zijn korstmossen een van de weinige organismen die een verblijf van twee weken in het vacuum en de extreem sterke UV-straling van het heelal kunnen doorstaan.

Over de voortplanting van korstmossen is niet veel bekend. Vermeerdering vindt plaats door sporen, die over grote afstanden door de lucht verspreid worden, en dan, als op de landingsplaats een geschikte alg wordt gevonden, een nieuwe plant vormen.

Korstmossen zijn gevoelig voor luchtverontreiniging. Sommige soorten verdwijnen in gebieden waar de concentratie zwaveldioxide (SO2) hoog is. De aan- of afwezigheid van korstmossen wordt daarom wel gebruikt als een indicator voor luchtverontreiniging. In gebieden waar veel ammoniak in de lucht zit (uit de landbouw) verdwijnen sommige korstmossoorten. Andere soorten groeien echter beter met ammoniak. Baardmossen en struikvormige korstmossen, zoals veel in de Dordogne voorkomen,  zijn het gevoeligst voor luchtverontreiniging, korstvormige korstmossen minder.